Werken met en als zelfstandige(n)

HRM

De overheid werkt momenteel hard aan het toekomstbestendig maken van de arbeidsmarkt. Werkgeverschap moet aantrekkelijker worden en de wendbaarheid van ondernemingen moet worden vergroot. Duurzame arbeidsrelaties worden gestimuleerd en er komen duidelijke regels voor flexibele arbeid, waaronder het werken met of als zzp’er(s). Onze HR-adviseur en jurist arbeidsrecht Martine van der Werf geeft je een update.

Groei aantal zzp’ers: arbeidsmarkt onder druk

Jarenlang is er sprake geweest van groei van het aantal zzp’ers. Dit heeft de arbeidsmarkt onder druk gezet. Zelfstandigen dragen minder bij aan de financiering van de sociale zekerheid. Ook de fiscale behandeling van zzp’ers en werknemers is ongelijk. Deze kostenverschillen kunnen een prikkel richting schijnzelfstandigheid vormen. En het ongelijke speelveld kan (op lange termijn) de houdbaarheid van het sociale stelsel ondermijnen. De gedachte is ook dat duurzame arbeidsrelaties een meerwaarde hebben, omdat partijen in dat geval gedurende langere tijd in elkaar investeren, waardoor productiviteit en innovatiekracht groeien.

Herstel van de balans op het gebied van werken met en als zelfstandige(n)

In de Voortgangsbrief werken met en als zelfstandige(n) van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van december 2022 wordt aangegeven dat de balans op het gebied van werken met en als zelfstandige(n) hersteld moet worden. Om hiertoe te komen wordt ingezet op een drietal zaken:

1. Gelijker speelveld werknemers en zzp’ers

Er worden fiscale maatregelen getroffen, waaronder afbouw van de zelfstandigenaftrek en afschaffing van de oudedagsreserve. Ook komt er een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen, met als doel het bieden van inkomensbescherming van zzp’ers. Er wordt gekeken naar een opt-out mogelijkheid om de verzekering zelf (privaat) te regelen.

2. Verduidelijking regels beoordeling arbeidsrelatie en rechtsvermoeden

Een belangrijk element bij de beoordeling van een arbeidsrelatie is het al dan niet ‘werken in dienst van’. Traditioneel gezien ligt de nadruk daarbij op het al dan niet bestaan van de mogelijkheid tot het geven van instructies en het houden van toezicht, ook wel de gezagsverhouding. Hiernaast zou volgens het kabinet aan de orde moeten komen dat werken in dienst van ook aan de orde is bij werk dat organisatorisch is ingebed in de onderneming van de werk-gevende. Ook is van belang of er bij de werkende sprake is van zelfstandig ondernemerschap. Dit laatste element kan een contra indicatie vormen voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst.

Verder wordt er gewerkt aan een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst gekoppeld aan een uurtarief. Werkenden die minder dan 30 tot 35 euro per uur ontvangen, kunnen zich dan op het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst beroepen. Het is dan aan de opdrachtgever om aan te tonen dat er sprake is van een opdrachtovereenkomst en niet van een arbeidsovereenkomst.

3. Verbetering van handhaving op (schijn)zelfstandigheid

De Belastingdienst beoordeelt of er sprake is van echte of schijnzelfstandigheid. Dat wil zeggen of er écht sprake is van een zzp-relatie (overeenkomst van opdracht), of dat er toch sprake is van een arbeidsovereenkomst. Op dit moment is er echter sprake van een zogenaamd handhavingsmoratorium. Dit betekent dat er niet actief beoordeeld en gehandhaafd wordt. Het voornemen is om op korte termijn de handhaving te versterken en te verbeteren en uiterlijk op 1 januari 2025 het handhavingsmoratorium volledig op te heffen.

In de Voortgangsbrief uitwerking arbeidsmarktpakket van de minister van april 2023 wordt (o.a.) nader ingegaan op het onderwerp (schijn)zelfstandigheid.

Op 31 mei 2023 heeft de minister vragen van de Tweede Kamer over de aanpak van schijnzelfstandigheid beantwoord. De minister heeft aangegeven dat er een lijst komt met criteria aan de hand waarvan het begrip ‘in dienst van’ kan worden beoordeeld. Op 7 juni 2023 was er vervolgens een debat in de Tweede Kamer waarin de minister haar plannen verder uit de doeken heeft gedaan. Veel aandacht dus voor het werken met en als zelfstandige(n) bij de overheid.

Deliveroo-zaak

Ondertussen wordt er ook in de praktijk gestoeid (beter: geworsteld) met dit onderwerp. De Hoge Raad heeft op 24 maart 2023 in de Deliveroo-zaak een belangwekkende uitspraak met betrekking tot dit onderwerp gedaan.

Geschil

Bezorgers van Deliveroo werkten op grond van overeenkomsten die werden omschreven als ‘overeenkomst van opdracht’. Vakbond FNV vond dat deze omschrijving niet klopte en dat er feitelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen Deliveroo en de bezorgers. FNV vroeg de rechter te oordelen dat de bezorgers op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam waren. De kantonrechter en het gerechtshof oordeelden dat er inderdaad sprake was van arbeidsovereenkomsten. Deliveroo stelde tegen de uitspraak van het gerechtshof beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Ze hebben de Hoge Raad gevraagd de uitspraak van het gerechtshof te vernietigen. Deliveroo voerde in cassatie onder meer aan dat de bezorgers zich mochten laten vervangen en dat zij de vrijheid hadden al dan niet te werken. Dat past volgens Deliveroo niet bij een arbeidsovereenkomst.

Uitspraak Hoge Raad

Ook de Hoge Raad stelde Deliveroo echter in het ongelijk. De Raad liet het oordeel van het gerechtshof in stand: de bezorgers van Deliveroo werkten op basis van een arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad bevestigt daarbij bestaande rechtspraak;  het wezen gaat voor de schijn (het gaat om de feitelijke situatie), alle omstandigheden van het geval dienen te worden beoordeeld in samenhang bezien, waarbij de bedoeling van partijen niet van belang is. Revolutionair is dat de Hoge Raad een zogenaamde gezichtspuntenlijst geeft. Bij de beoordeling of er sprake is van een overeenkomst van opdracht of van een arbeidsovereenkomst moet gekeken worden naar:

  • de aard en duur van de werkzaamheden;
  • de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald;
  • de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht;
  • het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren;
  • de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen;
  • de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd;
  • de hoogte van deze beloningen, en;
  • de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt.

Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen. Bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, aantal opdrachtgevers en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht.

De Hoge Raad zegt verder geen aanleiding te zien tot rechtsontwikkeling op dit punt, omdat dit onderwerp de aandacht van de wetgever heeft (zie het eerste deel van dit artikel). Het is nu wachten op de volgende stappen van de overheid in dit dossier. Wordt vervolgd dus!

Update 4 december: Lees hier meer over het nieuwe conceptwetsvoorstel waarin criteria zijn vastgelegd aan de hand waarvan het begrip ‘in dienst van’ zou kunnen worden beoordeeld.