Zzp-dossier: Conceptwetsvoorstel verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden

In juni van dit jaar berichtten wij al over de ontwikkelingen op het gebied van werken met en als zelfstandige(n). Toen was het wachten op een door de minister aangekondigde lijst met criteria aan de hand waarvan het begrip ‘in dienst van’ zou kunnen worden beoordeeld. Inmiddels ligt er een conceptwetsvoorstel, waarin deze criteria zijn vastgelegd. Dit is het ‘Wetsvoorstel verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden‘.

Elementen van belang bij beoordeling

Er zijn drie hoofdelementen in het wetsvoorstel opgenomen aan de hand waarvan het begrip ‘in dienst van’ moet worden beoordeeld. Dit zijn:

A. Werkinhoudelijke aansturing
B. Organisatorische inbedding
C. Eigen rekening en risico

A. Werkinhoudelijke aansturing

Bij werkinhoudelijke aansturing gaat het om de vraag of de werkgevende bevoegd is aanwijzingen en instructies te geven en of de werkende deze ook moet opvolgen. Verder heeft in dat geval de werkgevende de mogelijkheid om de werkzaamheden van de werkende te controleren en is ook bevoegd om op basis daarvan in te grijpen.

B. Organisatorische inbedding

Van organisatorische inbedding is sprake als:

  • de werkzaamheden worden verricht binnen het organisatorisch kader van de werkgevende,
  • de werkzaamheden behoren tot de kernactiviteit van de organisatie,
  • de werkzaamheden een structureel karakter hebben,
  • en/of de werkzaamheden zij-aan-zij verricht worden met werknemers die soortgelijke werkzaamheden verrichten.

C. Eigen rekening en risico

Bij het criterium of er voor eigen rekening en risico wordt gewerkt, wordt er gekeken naar het ondernemerschap in de specifieke arbeidsrelatie (opdracht). Dus naar het interne ondernemerschap. Indicaties voor dit ondernemerschap zijn naast bijvoorbeeld het debiteurenrisico, aansprakelijkheidsrisico, eigen gereedschap, zelfstandig naar buitentreden, korte duur opdracht, ook het doen van investeringen van relevante omvang in verband met de betreffende opdracht (dus niet in het algemeen). Ook is van belang dat de werkende de mogelijkheid heeft om in de betreffende relatie (opdracht) een hogere winst of rendement te boeken, omdat ondernemerschap in de kern zou gaan over het toevoegen van economische waarde.

Wijze van beoordelen

Bij de beoordeling moet eerst gekeken worden of A en/of B aanwezig zijn. Als dit niet zo is, dan is het duidelijk dat er niet wordt gewerkt ‘in dienst van’ en is er dus van een arbeidsovereenkomst geen sprake. Is in ieder geval één van deze elementen wél aanwezig, dan wordt gekeken naar C. Dit is de contra-indicatie voor het werken ‘in dienst van’. Dus: A en/of B wordt dan afgezet tegen C.

Pas als A en/of B (werken in dienst van) in vergelijkbare mate aanwezig zijn als C (werken voor eigen rekening en risico in de betreffende arbeidsrelatie), dan wordt gekeken naar C+ : Ondernemerschap in het economisch verkeer

C+. Ondernemerschap in het economisch verkeer

Bij C+ wordt gekeken naar de manier waarop de werkende zich doorgaans in het economisch verkeer presenteert, het externe ondernemerschap. Als indicaties voor dit ondernemerschap worden genoemd: meerdere opdrachtgevers per jaar, tijd besteden aan opbouwen/onderhouden reputatie, acquisitie, inschrijving KvK, etc.

Stand van zaken

Het wetsvoorstel is begin oktober in internetconsultatie gegaan. Uiteindelijk zijn er meer dan 1100 reacties gekomen op het wetsvoorstel. NLdigital heeft ook op het wetsvoorstel gereageerd. De strekking van deze reactie was dat er ruimte moet blijven voor (eigen) ondernemerschap. Daarbij moet er geen onderscheid worden gemaakt tussen intern en extern ondernemerschap. Beide vormen van ondernemerschap moeten meteen meegewogen worden in de beoordeling van de werkrelatie.

Ook heeft NLdigital aangegeven ervoor te pleiten dat het de zelfstandige mogelijk gemaakt moet worden om tegen redelijke kosten te zorgen voor voldoende zekerheden betreffende werkeloosheid, arbeidsongeschiktheid en pensioen. Dit zodat er door deze groep geen gebruik gemaakt hoeft te worden van collectieve vangnetten.

Tot slot heeft NLdigital erop gewezen dat er in ieder geval voorzien moet worden in overgangsrecht. Nu is dat niet geregeld, wat grote en ongewenste gevolgen kan hebben voor de bestaande praktijk.

Het kan zijn dat als gevolg van alle kritiek besloten wordt het wetsvoorstel in de huidige vorm (nog) niet verder te brengen, maar daar is nu nog niets over bekend. We moeten dus nog even afwachten. Uiteraard blijven wij dit dossier volgen en melden ons opnieuw als er ontwikkelingen zijn die voor onze leden van belang kunnen zijn.